Anna Fonds
Van artrotische naar gezond gewricht
Eenmaal artrose, een leven lang slechte gewrichten, en dus pijn. Zo is de toestand nu. Onderzoekers hebben nog vele vragen. Wat is artrose precies? Hoe verloopt het ziekteproces, en waarom verschilt dat zo van patiënt tot patiënt?
En de belangrijkste vraag: Welke behandeling zal echte genezing brengen? Er zitten dus enorme gaten in de inzichten in artrose. Sita Bierma-Zeinstra, onderzoeker bij Huisartsgeneeskunde aan het Erasmus Medisch Centrum, zet zich in om die gaten te dichten. Zij doet zelf vooral veel onderzoek naar de patiënt in de eerste lijn. Daarnaast weeft zij samen met andere onderzoekers een stevig tapijt van allerlei soorten artrose-onderzoeken. En dat alles met maar één doel: het gewricht van meer mensen langer functioneel houden.

Met haar werk heeft zij de Anna Prijs 2007 verdiend. De jury roemt haar systematische en grondige klinisch-epidemiologische onderzoeksbenadering van het ontstaan en de progressie van artrose, en het gebruikmaken van meerdere onderzoeksdesigns. In 2005 ontving zij al een VIDI-subsidie voor haar artrose-onderzoek, een ondersteuning van Zon-MW voor excellente onderzoekers.

Geen enkel bewijs
Toen zij van 1983 tot 1992 werkte als fysiotherapeut zat het haar dwars: er was geen bewijs dat de behandelingen van artrose de patiënten ook daadwerkelijk hielpen. Bierma: "Toen werd je door 'believers' geleerd wat je moest doen. Natuurlijk heb ik zelf ook die behandelingen toegepast. Maar waar baseerden ze het op? Getallen hadden ze toen niet. Nu probeert de fysiotherapie ook steeds meer evidence based te werken, maar dat was toen echt niet het geval."

Heupartrose voorspelbaar
Na het werk als fysiotherapeut studeerde zij Gezondheidswetenschappen en begon aan onderzoek naar artrose. Bierma-Zeinstra schrok indertijd hoe weinig er bekend was. Daarop nam zij voortvarend het onderzoek ter hand. Inmiddels heeft zij ruim zeventig wetenschappelijke publicaties op haar naam. Bovendien is zij is initiator en coördinator van een breed spectrum aan onderzoeksprojecten op het gebied van artrose. Dankzij dit onderzoek kunnen onder andere artsen aan patiënten met heupartrose meer zicht geven op de ontwikkeling van de ziekte: röntgenfoto en bewegingstesten geven aan of het proces snel of langzaam zal gaan verlopen. Met spijt in de stem constateert zij: "Bij de knie kun je dat veel minder voorspellen, vooralsnog niet met lichamelijk onderzoek en slechts in geringe mate met de röntgenfoto ."

Van patiënt, preventie en muizen
Door steeds de artrosepatiënt centraal te stellen bekijkt Bierma-Zeinstra welk onderzoek nodig is om uiteindelijk de achteruitgang van het gewricht te voorkómen of stop te zetten. Van de VIDI-subsidie doet zij een bijzonder onderzoek. Mensen die nog geen artrose hebben, maar wel een verhoogde kans erop, worden enkele jaren gevolgd. "De bedoeling is om te kijken wat voorspeld kan worden. Het gaat waarschijnlijk om een cascade van reacties." Omdat men deze reacties in het kraakbeen van de patiënt niet kan volgen, is dieronderzoek nodig. Onderzoekers met wie Bierma-Zeinstra samenwerkt, zijn momenteel bezig om bij muizen te bekijken welke ontstekingsreacties plaatsvinden, bijvoorbeeld onder invloed van hormoonveranderingen. Doel is om te achterhalen in welk voorstadium het proces vrij zeker zal doorzetten tot een artrose. "Met deze kennis kunnen we in de toekomst veel gerichter preventief onderzoek doen."

Overgewicht: overschat of niet
Vanuit de epidemiologie is bekend dat overgewicht een risicofactor voor knieartrose is. Maar Bierma-Zeinstra is daarmee niet tevreden "Er heeft nog nooit iemand gekeken of je het proces ook kunt voorkomen wanneer je op het lichaamsgewicht ingrijpt." Zij heeft daarom een onderzoek opgezet onder vrouwen van middelbare leeftijd met overgewicht maar zonder artrose. "We hebben een tailormade-interventie ontworpen. Een speciaal opgeleide diëtiste houdt een gesprek met de vrouwen en laat zien wat de mogelijkheden zijn. De vrouwen mogen verschillende vormen van sport en beweging proberen, en kijken wat ze ligt. We trachten ze weer plezier in beweging te laten krijgen." Het eerste vraagteken daarbij is of zij überhaupt wel trouw aan de therapie blijven. En pas als het gelukt is om vrouwen daadwerkelijk te laten afvallen, kan worden bekeken welke invloed de therapie heeft op het gewricht.

Evidence voor fysiotherapie
En wat is er vanaf rond 1990 bekend geworden over de effecten van fysiotherapie? "In Nederland werd toen erg veel met ultrageluid en ultra korte golf (UKG) gewerkt, en patiënten werden nauwelijks geactiveerd. Dat is dus helemaal van de baan. Ultrageluid en UKG zijn bewezen niet effectief en beweging heeft een meerwaarde, zo is met ongeveer twintig onderzoeken bewezen. De klachten verminderen, maar als patiënten stoppen ebt het effect weg. Spierversterkende oefentherapie helpt, maar ook intensief lopen, zowel tegen de pijn als voor een verbetering van de functie. We weten nog niet welke therapie beter werkt. We gebruikten toen ook TENS, en daar is in een onderzoek van gebleken dat het werkzaam is. Maar heel veel behandelingen zijn nog onvoldoende onderzocht om iets over de meerwaarde te zeggen. Het effect van braces lijkt bijvoorbeeld gering, maar mogelijk profiteren subgroepen wel enigszins hiervan."

Glucosamine – effectief of niet?
Een recent wapenfeit van Bierma-Zeinstra is onderzoek naar de werkzaamheid van glucosamine. Belangrijk vindt ze daarbij dat ze volledig onafhankelijk van de industrie hebben gewerkt. Een illusie armer of een therapie rijker? Zij wil er nog niets over zeggen, omdat de publicatie aan een gerenommeerd tijdschrift is aangeboden. Maar negatief of positief voor glucosamine, dit onderzoek zal nieuws zijn.


Het Anna Fonds steunt orthopedische research